ROOMS COMMUNISME

rooms communisme

schreeuwende spreeuwen in bomen van rome
en mensen en toeters jagen die weg
kolkende zwermen van vogels die komen
en gaan in de luchten van rome
draaiend en zwierend en zwaaiend
één in beweging met velen en velen
geen kink of geen knoop doet zich voor
in dit weergaloos zwermen van vogels in koor
diep in oktober in rome en hoor
hoe ze schreeuwen en ruisen en scheren
en wie is de hoofdvogel wie stuurt de zwerm
en wie is de paus van die pluimen en veren
of is dit een staaltje van puur communisme
in dit doorluchtige heilige rome?

Joris Denoo

Advertenties

ZWAARTEKRACHT

Zwaartekracht

 

De stad slaapt. Alles is rustig.
Een rat met zachte vacht vlucht
voor het schijnsel van de nachtwacht.
In alkoven snurken burgers.
Langzaam draait de aarde rond:
blauwe bol, open riool, vergaarbak
van gerochel, kanker en vulkanen.

Vrede op het plein. Niets beweegt.
Een oude straathond spert zijn muil
en jankt zijn blues tot op het bot.
Een man verdrinkt in kwijl en kommer.
De maan beveelt de zee, de vrouwen.
In hun dromen zit hun mond vol slijk
en drijven lijkjes op de golven.

Zwaartekracht balt onrust samen.
Het gebinte op de appelzolder kraakt.
De splijtstof in de navel sluimert.
Angst groeit aan weerskanten
van het tussenschot dat leven heet.
De kleine Newton blaast een speekselbel
en draait zich op zijn andere zij.

Joris Denoo

(Uit Zwaartekracht, thematische bundel over epilepsie, uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2017)

 

LUTETIA (CIVITAS PARISIORUM)

LUTETIA (CIVITAS PARISIORUM)

De koele vriendelijkheid van de ober, kan ik mee om.
De duif die dwars door mijn hart scheert, kan ik mee om.
Een langzame dood door gebrek aan slaap, kan ik mee om.
Een immobiel bestaan bumper na bumper, kan ik mee om.
Een overdosis aan ingehouden theatraliteit, kan ik mee om.
Gewurm en gezweet onder de grond, kan ik mee om.
Het zoveelste gebedel om aandacht en brood, kan ik mee om.
Toeters en bellen in flarden van mist, kan ik mee om.
Doden met namen als klokken, kan ik mee om.
Ontbreken van stilte terwijl niemand iets zegt, kan ik mee om.
Haastparels hoesthoeken hangstaarders, kan ik mee om.
Geheel te onthouden dampen en wasems, kan ik mee om.
Duivelse spuwers en heilige hoeren, kan ik mee om.
Huiverkerken zweetspektakels gevangenisromans, kan ik mee om.
Smeekbedes om diepte in gulden snedes, kan ik mee om.
Portes de çi et marchés au ça, kan ik mee om.
Pruisen en Zwitsers en Kelten en Goten, kan ik mee om.
Het dreunen van drilboren op zondagen, kan ik mee om.
De duikvlucht van grasgroene flessen, kan ik mee om.

Als het maar Parijs is.

Joris Denoo

HET BAL DER OPGEKNOOPTEN

HET BAL DER OPGEKNOOPTEN                      

De kalender van ellende verklapte andermaal:
het jaarlijks ledenbal der opgeknoopten
was alweer daar. Ze verschenen allemaal
van merg tot pijp doorrookt en uitgekookt.

Zak en as en vrouw zeulden ze met zich mee,
in stipte kleuren, nipte maten en formaten.
Hun plooien, vouwen strik en strak gedwee
brachten ze van acht tot twee in alle staten.

‘Wat gaan de jaren rap, de dagen korten weer,
het scheelt een vest, we doen ons best,
we bellen wel een keer, het zijn geen zomers meer,
mij zegt dat niets, wat eten we met kerst?’

Karel Passer en Marie-Joseph Vanongenae
knikten om de haverklap. Zo deden ook
de beide heren Sap en hun wijfjes stijfjes na.
Geen vinnig mens raakte hierdoor van de kook. 

Meneer Vanhees verzonk ten zeerste in de decolletés.
Blauwe ogen, diepzeegedachten gingen onderzees,
blikken werden torpedo’s. Mevrouw Vanhees
werd op al die blote V’s stilaan grondig boos.

Goed volk, small talk, wie was hier nu nog niet?
Toen kwam, nog ingepakt na datum van verval,
de oude apotheker Wackenier in het verschiet.
Die haalden ze als stichtend lid elk jaar van stal.

Men week een schree uit eerbied voor de tovenaar
(die door geen vrouw gehinderd glaswaarts toog)
en knikte voor de vele jaren pillen, poeders dankbaar.
Een man van medicijnen liet je nooit lang droog.

‘Geachte leden, ik heb de eer en het genoegen.’
Halverwege klokke negen werd het woord weer vlees.
‘Ik dank hierbij allen die hun steentje bijdroegen
aan wat zonder hen niet mogelijk was geweest.’

Passer, Sap, Vanhees en Verroken knikten hevig.
Een zee van blanke V’s deinde zachtjes op-en-neer.
Het applaus daarna was welgemeend en stevig.
De voorzitter deed het nog maar eens een keer.

Verse glazen, koude schotels deden hun entree.
De ingewanden werden allereerst verwend.
De olie voor gekeuvel was appellation contrôlée,
iedereen werd van de weeromstuit eloquent.

Agnes Verroken gluurde naar haar opgeknoopte
en kapte dan pijlsnel glas twee haar keelkrocht in.
Meneer Verroken, die op een mooie avond hoopte,
bevond zich toen midden in een uitgesproken zin.

Pillendraaier Wackenier, knar van botten, kras van hart,
zeilde met bijsluiterblikken al de echtgenotes af.
Na de finale crème brûlée werd immers ras al opgestart
met wals en balts en tango in gestrekte draf.

Zalm en heilbot gingen vlot huns weegs,
wijl spek en bonen minder monden vonden.
‘Vis poes!’ grapte een van de Versteegs;
zijn tafeldame vergaf hem deze kuise zonde.

De vrouwtjes van de beide heren Sap
gingen ijverig hun ijsbergsla te lijf.
Hun huid en haartjes grauw en krap
stonden nu van welbevinden stijf.

De spits der broeders tapte toen een mop
die schuin en aangebrand de ronde deed.
Voedsel stokte stikkend in de krop;
het leek alsof men aan beroertes leed.

Marie-Joseph Van Ongenae deed aan de lijn.
Ze schikte zuinigjes haar smaakpalet,
maalde af en toe wat brokjes en radijsjes fijn
en pikte als een vogel op dieet gezet.

Daar had Karel Passer minder moeite mee.
Hij stouwde heelder borden prak in zijn benedenruim
en kapseisde hierbij gezwind een fles of twee.
Onder omnivoren was hij echt de crème van het kruim.

Nu de maag gevuld, de keel gelaafd was,
mocht het aan beweging niet ontbreken.
Strikken minder strak, beetje los die das.
Ook de gezichten waren minder uitgestreken.

Toch duurde het voorwaar een hele poos
voor het ledenbal een aanvang nam
en iemand eindelijk een partner koos.
Het was Vanhees die ’t eerst in opstand kwam.

Hij vergat hierbij helaas zijn wettelijke vrouw
en stapte stralend op Agnes Verroken toe.
Op het slagveld van de liefde en de trouw
was deze daad een regelrechte coup.

Stellen, koppels, gingen nu ook opveren,
maar door die zenuwpees van een Vanhees
zou men weldra bandeloos changeren.
Het bal der leden werd een vleselijke race.

Stijve harken plooiden onrustbarend.
Vege lijven kozen voor een rampenplan.
Harten klepten, longen piepten parend
in deze vleselijke kuip van Jan en alleman.

Schatbewaarder Six ging door de knieën
voor de prima ballerina Betty Audenaert.
Het leek après wel op een staaltje skiën
op twee brokkenlatten in vertraagde vaart.

De vrouw van voorzitter Andries Durnez
werd door het allerjongste lid gegrepen.
Gedeeltelijk ontknoopt dansten de twee
bevlekt met beekjes zweet als oorlogsstrepen.

Zwieren kneden tasten keren zwaaien
Zweten schuiven duwen klappen trekken
Wiegen springen huppen grijpen draaien
Zweven buigen spreiden stappen strekken

Het jaarlijks ledenbal der opgeknoopten
naderde met rasse schreden zijn ontknoping.
Succes en opkomst waren onverhoopt;
zo’n bal der leden smeekte om herhaling.

Verborgen in een hoek zat Pietje Beenderman.
De leden hadden hem niet meegerekend.
Hij keek toe en koos met zorg iemand
waarvan hij straks het hart in twee zou breken.

Toen stond hij schielijk op en wees
met kromme vinger wis en zeer beslist
naar de onfortuinlijke meneer Vanhees.
Die voelde in zijn borst meteen een flits.

Ontdaan en bleek week men uiteen
toen het slachtoffer te gronde zeeg.
Gekrijs, gegil, geklaag bij iedereen.
Alleen mevrouw Vanhees bleef achterwege.

Ze gunde Beenderman uit heel haar hart
ziel en lijf en leden van die eertijds was
haar bedgenoot, ridder voor driekwart,
rokkenjager, lanterfant, thans karkas met das.

Apotheker Wackenier knielde krakend neer,
maar vermocht geen leven meer te blazen
door de lege luchtpijp van de dode heer.
De ouwe knar zwol zelf als blauwe kaas.

In het halfduister van de zaal gezeten
verkneukelde zich Beenderman ten zeerste.
Hij had altijd al geweten dat de meeste
opgeknoopten eigenlijk zichzelf doodzweetten.

Allen die de dans ontsprongen waren,
keken nu ontzet naar hij daar in de hoek.
Die zei bedaard: ‘U hebt toch geen bezwaren
dat ik nieuwe leden werf voor het dodenboek?

Het is mijn taak te selecteren en te decimeren.
Anders is het overal een drukte vanjewelste.
Ik weet: het zit u geenszins in uw koude kleren,
maar het was met liefde dat ik hem omhelsde.

Is er anders nog een kandidaat vanavond?
De meesten onder u lijken toch al opgeknoopt.
Hebben jullie dan geen moeite met je adem?
Ik had wel nog op een tweede vege lijf gehoopt.’

Dat hoefde echt geen tweede keer gezegd.
Karel Passer en Marie-Joseph Vanongenae
vluchtten hals over de kop de zaal uit, regelrecht
gevolgd door de beide heren Sap hierna.

Hun beide wijfjes stemden gillend met ze in.
Met zijn oude knoken haalde apotheker Wackenier
ijlings nog Gerardus en Agnes Verroken in
en liep hierbij mevrouw Vanhees van de sokken schier.

De Versteegs gingen vliegensvlug huns weegs.
Schatbewaarder Six snelde zonder centen heen
en Betty Audenaert ijlde lijkbleek als een feeks
naar verre oorden tot ze helemaal verdween.

De vrouw van voorzitter Andries Durnez,
werd, dodelijk verschrikt, door het jongste lid
in de vaart der vluchtenden weer opgepikt.
Alleen meneer Vanhees deed niet meer mee.

Moederziel alleen lag hij daar rustig ingeslapen,
verstard in zijn bestaan, ontdaan van alle leven.
Zijn hemd was in een lijkwade herschapen;
zijn das hing losjes halverwege zeven.

De kalender van ellende verklapte andermaal:
Pietje Beenderman had weer eens toegeslagen.
Dat gebeurde onverwacht en zonder veel omhaal
tijdens een der onverdachte feestelijke dagen.

Zo verkrijgen gaandeweg, voorwaar, de leden
van eender welke club op deze Moeder Aarde,
het onvoorwaardelijk statuut van overleden:
bitter jong, alreeds wat oud of hoogbejaarde.

Pietje Beenderman is als de zandman:
hij sluipt, gestrekte vinger op de lippen,
rond en kan zo hij dat wil de waakvlam
van je leven met een korte zucht uitknippen.

Joris Denoo

 

ROESELARE BLUES

 

ROESELARE BLUES

 

Vliegt de Blauwvoet. Storm in ’t hoofd.
Zwalpende matrassen op zee van zuchten.
Wiegende meiden aan voeteneinden.

Sluipt de blootvoet. Schimmel tussen tenen.
Door pare en onpare jongensdromen.
Geritsel achter klamme gordijnen.

Peeping Tom. Sandalen: linkerhand.
Klaas zo vaak. Zak vol heilig zand.
In de ogen van de nachtwacht: staar.
Jongens, hou je eigen kaarsje klaar.

Want het is koud in dit Siberië.
Het hart gekooid in ribben.
Roestend in dit Roeselare.
Het hoofd bezet door dromen
die het alle op wil sparen.

Eilacie!
Zo jong te sterven in dit internaat
op schootsafstand van Arme Klaren.
En van internet nog lang geen sprake.

Joris Denoo

ZWEETDOEK

ZWEETDOEK

TRIPTIEK VAN EEN VLAAMSE PRIMITIEF

 

De navel van de fiets

Staande voor dit werk met verve
– zij het de beweging van het maaien,
zij het de vliedende kracht
van een velodroom –
denk ik aan zesdaagsen,
aan een reis of aan een zeis.

Wat spaak loopt
vermaalt de zon tot splinters.

Oneindig maal tweemaal nul
is gelijk aan helemaal niets.
Maak dat de fiets diets.

Schilderen:
de chasse patate naar roem.

Beide.
Nietwaar,
Rogier van der Weyden?


De curve van de bal

Een hoek die stilhoudt in een veld.
Finishfoto van gestold gebrul,
met achterlating van klank en kleuren.
De parabool van een hoekschop
die weer inswingend
de toegestane ruimte botviert
vanuit dat stateloze vlaggenstokje.

Schilder de bal voor doel.

En dan alles op het canvas
weer duwend trekkend
in beweging brengt.

En zweet,
deze dwingeland op doek.

Koortskrom.
Nietwaar,
Preud’homme?


De spreidstand van de netnimf

Daar breekt alweer een acetijd aan
voor de tegenstander.
Over zoveel mazen van het net.
In de hitte van Down Under
of de regen van Garros.

Daar heb je niet van terug.

Doe niet aan balbezit maar kneed hem
tot hij vogel kogel wordt.
Mik naar Kim, wederzijds,
met je beste backhand.

Maar de vrouw aan de overkant
vangt hem in haar spreidstand.
Een meesterwerk.

Grand slim.
Nietwaar,
Kim?

Joris Denoo

 

MANNEN, TIBET

MANNEN, TIBET

Mannen klimmen op bergen
en vrouwen. Dalend zijn ze
verslagen. Veroveren doen ze:
iets waar ze op kunnen, of in.

Geef ze de leegte en ze maken die
vol met verse leegte: kanon,
penis, booreiland, politiek.
Er schort niets aan berg en vrouw.

Mannen: momenten om op te schorten,
mammoets die aldoor sterven,
monumenten in verzekerde bewaring,
vergissing van god, ook al een niet-vrouw.

Na ampele expertise treft men
een hart aan, dat pompstation
dat vet & alcohol & nicotine
probeert te vertalen in begrip.

Het blijft helaas bij hijgen.
Na beven en geven komt krijgen.
Mannen zijn krijgers, zwaaiend
met wapens bij vuren en vrouwen.

Tussen de lakens worden ze vloeibaar.
Een vulkaan kunnen ze niet aan.
Subtropisch, arctisch, pieken, dalen:
mannen kunnen zelfs Tibet niet aan.

Joris Denoo

ITIZEN & ANACOND

ITIZEN & ANACOND                                                                                      

Stadsdreun zonnetril oogspanning boomdruis
Rooklicht dakenvlam krengloop onweer op til
Heet heet heet heet heet heet heet heet
Itizen zweet zozeer dat hij zowaar vergeet
Het mooie ding – ping ping! – voor Anacond

Lijven wolken damp de zomertreinen beven
Anacond standvastig beeld onder ventilator
Wijl Itizen op pad dat cadeau dat cadeau
Dat cadeau alsmaar zo hard herhaalt
Dat herhaling dat verdomde ding smelten doet

Itizen te veel Tw te veel Fb likes onderweg
& wordt geliked en afgeleid van ware
Zaken – ping ping! – en dorst naar drinken
Daar dan wat in verzinken prettig wederzien
De zon de zon zo hevig en zo heftig – vlucht!

Boem boem krak boem knetter knetter
Serpentinewapper donderreutel cityuation!
Pauken van boosheid verblind door laslicht
Vlucht vlucht vlucht voor gedruppel
Weldra penetrante percussie van regen

De city sist en haast en pruttelt tegen
Witlicht gevat in klemvast loodzwaar grijs
Anacond haalt horren – onweerparfum – weer
Uit & plotseling flitse Itizen message sent
Alle duivels hel tempeest en sintels!

Kadaverende hond van Anacond huilt
Onder hagelslag knettergek gemekker
Van een god (God?) Anacond nipt van
Een flestiek waar blijft-ie godverdomd?
En bovenal: waar blijft het ding – ping ping! –

Fiolen van toorn hoornen van gramschap
Dit is het einde brandwonden zevende graad
Itizen tot zijn eigen as herleid herhaald herinnerd
& Anacond  – ping ping! – een plasje verlangen
op de middenstip van deze ondermaanse magnetron.

Het afscheid betrof nochtans dat kleine ding.
Ping-ping.

Joris Denoo

MEMORY LANE

MEMORY LANE

 
Toen Hongarije nog oud was,
en Victor Vandewiele doodviel op zijn veld,
en Charles Declercq de ene na de andere
sigaret zonder filter onbekommerd oprookte,
toen woonde ik in een doodlopende straat
en waande ik me een Oude Hein met een lamp
die mensen hielp om niet in putten te vallen.
Er waren ononderbroken wegenwerken in mijn hoofd.
Bij nacht en ontij was ik een baken.

Ondertussen heb ik Hongarije gezien: een dumpzaak.
Vandewiele pleegde eigenlijk zelfmoord,
en Declercq kreeg een verdomd laffe kanker.
De spoorwegboom is nog altijd neergelaten:
een stommiteit van in het steentijdperk,
toen de mensen nog slim waren, dacht ik.
Dagelijks loop ik weer als kind door die straat
in mijn hoofd: gevaarlijke hond!, houtzagerij,
regen, gerinkel van glas in een boodschappentas.

Ik had die straat niet zeer hartelijk lief.
Het was mijn Hongarije, lijdensweg en fuik.
En wat ze verborgen hield voor de dichter
en dromer in mij: een Fransman die zerken kapte,
een koppel overlevende joden, twee vrouwen aan de drank,
een hoedenmaakster en een hoer, een blinde,
een mager dood meisje in een sportwagen.
En ten slotte ikzelf, vastgebonden aan een schooltas,
die altijd Sans Famille dacht te zijn.

Het is een straat die van geen ophouden weet.

Joris Denoo

HARLEY BABYSON

HARLEY BABYSON

Je moet er jaren
voor sparen voor je hem tus-
sen je knieën hebt.

Joris Denoo

(Een vingerhoed poëzie gebloemleesd uit Verlichte Gedichten (uitg. Acco Leuven/Den Haag) t.g.v. World Poetry Day 21/03/17)