GOJ

GOEDE OUDE JORIS

(Het goj-kwaliteitslabel)

Oude Joris dronk goede rode wijnen.
Aan galg en rad ontsnapte hij,
ofschoon hij zwart en scherp verkoos
aangaande tint van zijn gemoed
en smaak van zijn gedachten.

Oude Joris pamperde zijn knoken
met mooie kleren, milde mosterd
en de juiste oliën uit de goede noten.
Prut was niet aan hem besteed.
Echte mortel vroeg zijn kathedraal.

Oude Joris trok zijn neus niet op voor vis.
Hetzelfde dient gezegd van centen.
Boter was zijn motto; de gladheid
van de aal droeg zijn voorkeur weg.
Hij werd een vinnige oude van dagen.

Oude Joris droeg zijn linkerhart
rustig tikkend door de jaren heen.
Hij was een tijdbom als eenieder,
maar leefde in gedoogzones
van kwaliteit en welbevinden.

Oude Joris bezat ook de boeken.
Uitgelezen stonden ze te kijk.
Hij bliefde nu geen letters meer,
maar hield ze zindelijk te boek.
Meer kon hij niet voor ze betekenen.

Oude Joris hield van wind en regen.
Ook dat aspect boeide hem zeer.
Onweer baarde hem geen grote zorgen.
Integendeel: gedonder en gewapper
waren voor hem het spetterende einde.

Oude Joris vond een zee ondersteboven
een woestijn en dit laatste landschap
dan weer omgekeerd een zee.
Idem dito voor de boomkruin en de wortel.
Wat je zegt, ben je zelf. Spiegels.

Oude Joris gaf in alle rust de geest.
Ontsnapt aan vuur- en waterproef.
Gekleed op zijn paasbest,
op een zeer goede vrijdag,
zijn hart verdeeld in links en rechts.

De boeken waren neergelegd.
Het motregende die dag.
Het meeste was volbracht.
Lucht en aarde zagen grijs.
Goede Oude Joris: goede reis.

Joris Denoo

DE ROZENTUIN IN KORTRIJK

DE ROZENTUIN IN KORTRIJK

In mijn oude zomer
bloeide een rozenstruik.
In mijn jongste zomer
bloedt een rozenstruik.

In de strakke blauwte bovenal
bidt een vliegtuig met gespreide vleugels.

Tijd stippelt hem uit.

Dan breekt het leenroerig tijdperk aan.
In de verte krult bloemkoolbewolking.
Boomkruinen beginnen te schuimen:
het einde van een wereld is in zicht.

En zie: reeds warmt de aarde op.
Straks ligt Kortrijk aan de zee.

Joris Denoo

REIS IN HET HOLST VAN DE ZOMER

REIS IN HET HOLST VAN DE ZOMER                       

Ik ben afgestapt te Lampernisse
– komende van Cadzand-bad,
jawel -,
want ik wou overal het land zien
en de zee,
maar vooral wind zonder de ervoor.
In Westende had ik getwijfeld
(daar woei nl. een mooie wind).
Maar de plek eindigt op de.
Vandaar.
Iets met ritme: Lampernisse.
Mooi, heel mooi. Bovenal wind.
Volgden nog Mannekensvere
en daarna het hinterland van Dixmuude.
Maar eerst dit.
Niet lang na Bray-Dunes (Zijn boten, Zijn rue Pompidou)
lag ook Zuydcoote te lonken.
Dat kende ik van een film.
De film was getiteld: ‘Weekend à Zuydcoote’.
Johan Daisne schreef erover in een Vlaamse Pocket van Heideland Hasselt.
(Alle drie van ons verscheiden).
Ik vermeed deze plek en reisde ras weer via een omtrekkende beweging
van Zuydcoote over Hondschoote (een rijmplek) naar Poperinge.
In Hopstad dronk ik kriekenlambiek
met de Evangelische Kerk als belendend perceel.
Die dag ook sleepte de politie van en in Oostende
maar liefst 19 onvolkomen geparkeerde auto’s weg.
Toen was het einde nabij.
Gelukkig kon ik zelf heelhuids
mijn thuisbestemming bereiken.
Dat is Heule, bij Kortrijk gelegen.
Waaide het daar?
Ja.
Woei is ook goed om het weer te geven.
Daar is dus ook van alles te beleven.
Te veel om op te noemen.
Ik steeg af met een zucht te Heule.
Misschien was ik maar beter thuisgebleven.

Joris Denoo

SCHRIJVEN

SCHRIJVEN

Vulpen en Picon op scherp.
Nu nog een onderwerp.
En dan dat Ene Boek.
Maar die verdomde zon.
Mijn goeie bril is zoek.
Een mus op het gazon.
De kat wil nu naar buiten.
Het ruikt al lekker.
Ik hoor buurman fluiten.
Haal de stekker er maar weer uit en
neem ook je Picon mee naar buiten.

Joris Denoo

VIER BRIEVEN AAN MIJN ZOON

VIER BRIEVEN AAN MIJN ZOON

01

Ze zijn negentien gebleven te Ieperen.
In Werchter zijn ze weer negentien.
De ene kluit is de andere niet.
En hun tenten, graven en koorts.

De tijd staat zo stil in jou,
tenzij hij suist als een schicht.
Soms slaat hij in, soms sluimert hij.
Maar altijd is hij slapende vennoot.

Laat ons drie tenten opslaan:
jij, wij en de letteren.
Op de zuidflank van Hill 19.
Laten we knetteren.

02

Voortdurend word je weer opgeroepen.
De middelen zijn beperkt, de overmacht groot.
Kuilen, kussens: daar draait het om.
En een ransel vol roze en blauw.

Er is een thuisfront met vrijgeleide,
binnen de perken van het marsbevel.
Je krijgt een arm, wees gerust.
We juichen bij een stelling weer ingenomen.

Deinzen en afzien is ook een tactiek.
Hoe ouder die oorlog wordt,
hoe kouder we hem in de ogen kijken.
Want jong is blind en luistert nauw.

03

Inpalmen, ach, waarom en voor wie?
In ’s hemelsnaam zeer zeker niet.
Evenmin in een andere naam.
De koning is rijk als hij alleen maar kijkt

Met afstandsbediening, brieven en begrip.
Met je doornenkroon om je hoofd gevlochten
en je tatoes van verleden veldslagen.
Laat je niet zalven met psalmen.

Want jij kent de aarde, en de zwaarte
van haar kracht. Die blauwe bol draait
vierkant in het rond, tot nader order.
Ongehoord valt een man overboord.

04

Mondenvol hol modernisme alom.
Tussen steeds nieuwe splinters ben jij te vinden,
te rapen. In boeken tegen het bloeden
spoel je aan als drenkeling, enkeling.

‘Ten aanval’: hoe wrang, hoe bang.
Je wereld is schier een eiland.
De golven schuimbekken en bijten.
Landing, last minute of crash: alles kan.

Het waren ook astronauten te Ieper.
Ze floten in banen om hun hoofd,
gehelmd, getekend: negentien.
En nu jij, met de helm verloren.

JORIS DENOO

GOOGLE EARTH

GOOGLE EARTH

Het oog van de maan knipt aan.
Een windklok schilfert in haar licht.
Tijd verglijdt als een trage wolk.
Een zee krabbelt even terug.
De vulkaan rochelt zich een hoest.
Het gerucht van een vervaldatum
doet de ronde onder aardgenoten.
Vurig ijs en marmeren gefladder
kunnen in een mum van tijd
het gestolde nu betekenen.

O Greta Green,
bewaar de aarde als je liefste knikker.

Joris Denoo

WINKELDOCHTER

WINKELDOCHTER     

 

Ik zie mijn oude jonge vader staan
in de weerschijn van een etalageraam:
baardje van vier dagen, spijkerbroek,
foute haren, onder zijn arm een boek.

Ziet hij mij? Ik hem wel.
Zoals gewoonlijk dus. Een raadsel.
We trillen samen mee op de rilling
van dat etalageraam, maar toch apart.

Kent hij nu nog mijn rug niet?
(Ik heb er ogen in, zo herkenbaar).
Wie zal het eerst gaan wuiven?
De winkeldochter of de aartsvader?

Plotseling is hij niet meer daar.
Een schicht: begrijpelijk, ongrijpbaar.
Mijn pa van glas verdwijnt alweer
zoals hij altijd al gekomen was.

Ik kijk weer naar mezelf, zijn dochter:
in niets gelijkend op die kerel,
daarnet nog aan de verre overkant,
in een zee van zachte babykleren.

Dat ik bij die ukkenwinkel sta,
is weer puur toevallig, zou je zweren.
Maar boven mijn middeleeuwen
begint het jongensmuisjes te sneeuwen.

Als enig kind heb ik een aardig broertje dood.
Er zit namelijk een halfzus aan te komen.

En ik zag mijn vader wel staan.

Joris Denoo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MUM

MUM

De eenheid van tijd is ogenblik.
Zie rimpel na rimpel die ons
ouder opvouwt en vroeg
of laat als rommel opbergt.

De eenheid van tijd is mum.
Zie de vouw die verweert
tot ze litteken wordt en
tijd voorgoed op de tocht zet.

De eenheid van tijd is fractie.
Zie de barst die verwordt
tot de kloof die bewijst dat niets
nog bijeen hoort als voorheen.

De eenheid van tijd is flits.
Zie de breuk die herleidt, voel
de schroeiplek die brandt en hoe
spijt schilfer na schilfer af splijt.

De eenheid van tijd is tel.
Zie de komma, de hort en de stoot.
Zie de vrouw die veroudert,
zie de man die verandert.

Zonde van elke seconde.

Joris Denoo

 

 

 

 

SCHROEIPLEK

SCHROEIPLEK

Niet huilen, maar schrijven,
om wat voorbij is.

Niet later, maar nu,
die tijd in verzen vangen.

De dingen niet dwingen,
maar schikken en zingen.

Niet zeggen: tijd heelt,
maar toeslaan en dichten.

Schrijven is pijn herverdelen,
in achterklap van rijm.

Niet ongeremd, niet ongerijmd,
maar wonend in woorden.

Doodgewoon wonend en wachtend
op licht in het gedicht.

Tijd wijst uit.
Tijd wist weg.

Joris Denoo

PIM PANDOER, 1963

PIM PANDOER, 1963

Lang voor mijn zoon werd geboren,
een raket op de maan was geland,
scheen in het diepste geheim des avonds
door donkerste blaren een lamp.

Zij scheen, als in een wurmig jeugdboek,
doorheen de blaren. Ik rilde ingetogen.
Een heimlijke schim, kraag opgeslagen,
spoedde zich uit de lichtplas heen

naar niets. Dit was het geheime sein
voor avontuur, verpakt in wind en blaren.
Hier was duister gedoe aan de hand;
een stad in de greep van een onzichtbare.

Ik keek weer neer in mijn jongensboek.
De feu continu werd opgepookt.
Moeder werd moe. De vader zat rokend
te zwijgen, te horen en zien naar niets.

Wat zou het worden: ook speurder,
ook schrijver, of gewoon als de dood
de zoon van een vader? Die avond
werd in mijn hoofd een lamp aangestoken,
een blad omgeslagen: het werd allebei.

Joris Denoo