BEELDSPRAAK

BEELDSPRAAK    

Waar José Vermeersch met verse paling gooide,
daar is het platteland van Lendelede,
dat mij bij wijlen in de luren legde,
maar waar zich ook een pad verbreedde.    

Het huis der dialogen als het donker werd  
heeft het denken voor de doem behoed.  
Op de valreep heeft uit een trage stoet  
een zeldzaam woord zichzelf opzij gezet.  

Gegooi in glazen, spijt voor afscheid.  
Alles ligt een beetje voor de hand.
In Lendeledelandschap vaagweg iemand,
ook wel iedereen: de beeldspraak hapert

Zolang ze ’t zelf wil. Want van dat stom
bestaan, ‘het werk’ zoals ze zeggen,
treedt uit nacht & vorm vaak naar voren
wat ik hier niet uit kan leggen.  

JORIS DENOO

(Ook verschenen in De Revisor (Nl), jaargang 13, 1986)

GEBED BIJ HET ETEN VAN MOSSELEN

GEBED BIJ HET ETEN VAN MOSSELEN

O mossel,
gij die geen vlees zijt,
en eigenlijk geen vis,
gij die alleen bestaat
uit weekheid en pis,
gij die in uw schulp kruipt
en nooit eerste hulp krijgt
terwijl het frietvet druipt:
in uw geest willen wij leven.
Als gij te vreten zijt,
dan zijn wij tevreden.
Al hebben we dan een lookprobleem.
Ons gehemelte is uw zevende hemel,
uw hel en uw eeuwig jachtveld.
Uw dagen zijn geteld.
De onze ook.
Gelukkig zijn er nog de nachten.
Die kunnen ook tellen.
O mossel,
ons koninkrijk voor uw zoute gedachten!
Amen (samen).

Joris Denoo

UIT EIGEN WERK

UIT EIGEN WERK

Er is niets nieuws onder een zon.
Vele verhalen zijn al zo oud
als ze lang zijn. In de winter
is het koud. U bent welkom.

Ik hanteer de veer om u te melden
dat ik tussen de regels spreek.
Gehaaid maak ik gewag van woorden
waar ik een zekere diepte in steek.

Papier is gewillig nadat het wit
is geweest. Het geschreven woord
blijft; het past als een schoen
op een leest: verstelbaar, jawel,

maar dan past een mens het aan,
een lezer, weet je wel. Wij, dichter,
kunnen niet zonder. We hopen
dat het vanavond goed zal gaan.

Na de pauze kunt u vragen stellen.
Hoe ik ertoe gekomen ben. Wat me
schrijvende houdt. Want het regent
onverdroten haaientanden. U wist het:

in de winter is het koud.

JORIS DENOO

WIT BLAD

WIT BLAD

Ik keilde een woord, onbewaakt,
over de spiegel van glashelder water,
en het scheelde geen haar
of ik had een gedicht gemaakt.

Het scheelde, het scheerde, met opzet,
geen doel voorbij, om simpelweg
aan de andere zij me toe te roepen:
waarom heb je dat gedaan met mij?

Aan andere woorden schoot ik te kort.
Het bleef bladstil; ik keek opzij
en staarde naar niets. Gedachten
stroomden voorbij. Ik maakte slagzij

en verdween vanwaar ik gekomen was,
het schaterend water achter me latend,
helder en strak als glas en waterpas.
Licht werd dichter, duister en dan donker.

Dat was het dus: woord overboord.
De spiegel bleef onbeschreven.
Rimpelingen stremden als luie melk.
Witter dan wit stond het water stil
boven zijn diepe grond. En het werd later.

JORIS DENOO

ENCEPHALOGRAM

ENCEPHALOGRAM

Het waait over Golgotha.
De wereld ligt in puin.
In de touwen hangt een pop,
zijn kroon staat ietwat schuin.

Anderen heeft hij gered, maar
eigen angst is zwart als inkt.
De honderdman wacht op een teken
dat tot nader inzien dwingt.

Dit versplinterd lichaam, haaks
op aarde, vertrekt van pijn
voor eeuwen. Stenen tikken luid:
voor wie zal de mantel zijn?

Smart priemt door de vrouwen heen.
Het wordt donker. De natte spons
wordt bij de kruik gegooid. Alleen
het wonder blijft genadeloos uit.

De vrouwen staan als zwarte vogels
aan de totem van Golgotha.
Zij bloeden. De regen kerft
en laat zijn rode striemen na.

Wonden tussen de benen.
Het hart dat aan zijn ketting rukt.
Ogen die glashard wenen
en de adem die in kelen stokt.

Alles is er voor het drama:
De wijn, soldaten, en de wijven.
De tijd gaat voor anker; de heuvel
zaait zijn kanker in hun lijven.

Azijn mengt zich met lood.
Op deze godverlaten beurse plek
wordt met klinkende munt betaald.
Beroepssoldaten drinken totterdood.

Zij ledigen vele bekers pijn.
Smart drupt uit infusen
regelrecht in ’t hart.
Het is vreselijk vrouw te zijn.

En moeder van een dode man.
Aan de totem van Golgotha
staat zij als een zwarte vogel:
trillend, bang en vleugellam.

De heuvel wordt met drie gedeeld.
Goed en kwaad zijn streng verdeeld
in rechts en links. Elke man
geeft nog wat tekenen van leven.

Maar niemand kan de armen kruisen.
Hij in ’t midden krult van pijn.
Hij is een vraagteken van vlees.
Dat moet dan een koning zijn.

Hij draagt de kroon
en wordt het meest gehoond.
Die van links heult zwakjes mee.
Rechts heeft al zijn spijt betoond.

Heuvel, hel en hemel.
Een staak, doornen en een duif.
Wat heet hier goed? Wat kwaad?
Straks is het te laat.

Alles smeekt, alles krimpt, alles breekt.
De dood riekt zuur. De wind smaakt
naar nat hout. Omstreeks het negende uur
geeft deze mensenzoon de geest.

De beste dobbelaar springt op.
De taken worden verder uitgedeeld.
De werktuigen om af te maken
liggen in het slijk gereed.

Wat hebben die twee gedaan
dat hun de benen worden gebroken?
Wat heeft in ’s hemelsnaam hij daar misdaan
dat hem de zijde wordt doorstoken?

Zij naderen; de vogels deinzen.
Als lijden is ten top gedreven
doet het lichaam niet meer mee.
Steek die ene, breek die twee.

Daar staat een ladder in de leegte.
Daar gaapt een open graf.
Daar is een kruik verdwenen.
Het Romeins karwei is af.

Wie is verlaten, wie staat samen?
Tegen loden lucht stijgt stil een duif.
Niets gebeurt, niets verroert, niets beweegt.
Het waait over Golgotha, amen.

JORIS DENOO

(Eerste Stadsdichter Torhout
Guido Gezelle Poëzieprijs Brugge)

TUSSEN ZADEL EN ZAND

TUSSEN ZADEL EN ZAND

Hoe alles verbrokkelt.
De dagen niet meer de dagen
van vroeger zijn, zelfs de kruimels
die restten, verdwenen zijn.

Maar net zoals weleer
versplinteren de spaken van een fiets
het zonlicht rondom rond en strooien
spikkels op de straat.

Dat is wat nog weerkeert
en dus blijft. De rest is niets.
Wat in het zadel zat,
beet in het zand.

JORIS DENOO

BEERPUT

BEERPUT

De maan neemt van de maan een knipoogkiekje
in het water van de waterput met putwater
vooraleer het rilt en rimpelt als een elastiekje
in het kader van herinnering voor later.
Een moonie met een visie.

Dan komt wasbeer bij de waterput.
De honing van de maan trekt hem aan.
Helaas is dat eigenlijk kaas.

Hij wast zijn gezicht met maanlicht.
Het past precies in de weerschijn.
Hij poetst en hij wrijft en hij plast
in de schone schijn van de stralen.
Hij smeert de kaas over zijn huid uit.
Dan valt hij pardoes in de beerput.
De maan lacht zich nu te pletter.
Ze vindt die wasbeer knetter.

JORIS DENOO

KAMIKAZE

KAMIKAZE

Hamazono landde pardoes in een palmboom.
Een eendagsvlieg in het struikgewas.
Een ondode in een onvliegende bom.
In een palmboom landde pardoes Hamazono.

Een goddelijk windje roerde zich even.
Hamazono, ingepalmd, zuchtte grondig.
De palmboom begon aan zijn sterven.
Even roerde zich een goddelijk windje.

Voor hem uit strekte zich een zee van tijd.
Een engel des doods die niet sterven kon
bekeerde zich tot het eeuwige leven op aarde.
Een zee van tijd strekte zich voor hem uit.

JORIS DENOO

GOD

SATAN

God. Zit in een pauze.
Tussen enkele woorden.
De duivel woont er ook.
Hij woelt met woorden.
God niet.

God doet pijn: een barst,
een klonter, craquelé.
U ziet god. Dan spreekt u niet.
Alleen de duivel doet u dichten.
U zwicht.

Regen. Tranen van de zon.
De zon regent ieders tranen.
God doet het regenen.
Goed dat god dit doet.
Het moet.

Moet er dan nog zand zijn?
Komt er manna na het zweet?
Niet dat ik weet.
De duivel komt u halen.
U zweet.

M/V/X/EACH MAN

God is een hijzij.
God is een zijhij.

God weet het niet goed.

Each man

God zit in het detail.
God zit in een cel.

Als god liefde is,
dan gaat hij door met moorden.

GODSPOT/ G-PLEK

Krijtlijnen rond kribbe en crypte.
Gedoogzones voor wie niet
ter kerke schrijdt en bijt.

G-plek

God geve het.
Zaligheid draagt geen kleren.
Zieligheid kan uw deel zijn
wanneer het hoofd een zonde bedrijft
op dit erf.

FOUTEN VAN GOD

Het is niet onopgemerkt gebleven.
De weggerolde steen.
De lege plek.

DE SCHREEUW

Ik ben die ben.

De hemel
het gesperde nu.

De eeuwigheid
een tel die aantikt.

Van de dode niets dan zoets.

Hij is die was.
Nu.

VERGROTENDE TRAP/DOGMA

Kerk.
Kerker.

Dogma.
I’m goD.

HET HEEL, HET AL

Hemel, wie heeft in hemelsnaam de hemel uitgevonden?
Die buitenspelval van goud en rijst en pap.
Dat roze wolkje als eindbestemming.
Een kosmos zonder korst.
De zevende hemel als eeuwig orgasme.

CHRISTUS@CHRISTIE’S

Wie doet een bod op god?

Eenmaal
Andermaal
Zevenmaal
Zeventigmaal zevenmaal

Wie doet een bod op god?

HEIDEN

Geen reizen hiernamaals
voor deze bescheiden heiden.
Hij is geen purperen heiden.

Geef hem maar zijn iPod.
Zijn god rijmt alleen met
zot en met marmot.

JORIS DENOO

SOORTELIJK GEDICHT

SOORTELIJK GEDICHT 1

Alleen als ik niet kijk,
hoor, voel, komt het.
Alleen als ik zie,
luister, besef, schrijf ik.

Alles stoort, niets hoort.
Het luistert nauw.
Het is van het vele te veel.

Hoe te zwijgen in weinigheid?
Licht te reizen naar waarheen?

Ja, ik las, ik stal:
wegen, bestemmingen.

Soms werd ik wijzer dan de weg.
Soms was een woord een oord,
een moord, omwille van dat woord.

Maar niets hoort.

SOORTELIJK GEDICHT 2

Blind, misschien,
voor de draak van alledag.
Doof, misschien,
aan de deur van horen zeggen.

Zwarte zon om te bedaren
van kleuren, warmte.
Diepste spiegel waar alleen
de tijd in uitglijdt.

Laat me schrijven,
anders gebeurt er niets.
Hou me niet op de hoogte
van wat ik moet doen.

Laat me alleen maar laten.
Laat me missen wat ik heb.
Laat me zijn zoals ik worden zal:
dichter en verder bovenal.

JORIS DENOO