ZWINNEGEBED

ZWINNEGEBED                                           

VAN DE ANTONIE VAN LEEUWENHOEK VRIENDENKRING

                      

                               Lector

Heilige Blaag, Heilige Balg, Heilige Blaas,
Bisschop onder de Beesten, Buil van het weten,
Telg van Gestreepte Ever & Wild Zwijn,
Wroeter in Lage Streken, Eregast in de Vitrine:
maak Uw beloftes van kop tot staart waar.
Wij verkavelen Uw topzwaar lijf
in grote partikels, tot een feest van vlees,
van bloed & weten.
Gij deinst niet; Gij peinst vooruit.
Ondanks Uw zware ongemakken
en Uw dagelijks gevecht om voer
ziet Gij vooruit in de wereld van de beesten.
Gij hebt de pest aan middelmaat
en graaft onder de boom der kennis
naar de navel van de aarde,
deze blauwste plek in het heelal,
naar de truffel die de grondwet
van het beter weten weder doet ontstaan.
En als het genadeschot is uitgestorven,
laat Gij een heilige schroeiplek
op dit ondermaanse van de mensen na.

Porcenses

In Uw geest & vlees willen wij leven.
Uw spek is voor elke bek.
Met Uw lijf & leden betaalt Gij het gelag,
en elk varken kent verdomd zijn oordeelsdag.
Daarom bidden wij allen samen:
ons koninkrijk voor Uw gezouten gedachten,
amen.

Joris Denoo


LA PRIERE DE COCHON      

                               Lector

Saint Voyou, Sainte Panse, Saint Bidon,
Echevin parmi les Bestioles, Bubon plein de Compétence,
Cousin du Sanglier et du Marcassin,
Fripouille qui fouille dans les Bas-Fonds:
Tu tiens tes promesses, de Ta Tête à Ton Cul bien rond.
Nous nous la partageons, Ta Carcasse charnelle,
en gros Quartiers, dans un grand Festin
de Sang et de Comprendre.
Tu ne recules pas; Ton Regard perdu dans ce qui vienne.
Malgré une Vie chargée de Menaces
Ta Lutte continue pour Ta Bouffe.
Tu vois l’Eternel dans ce Monde bestial.
Tu ne vis que pour le Bien, tu ne vis que pour le mal,
En en cherchant le Noyau de cette Terre
en creusant Ton Trou sous l’Arbre du Bien, du Mal,
Tu y trouveras la Truffe qui fera ressuciter
La Loi du Savoir-Vivre.
Quand, sur cette Terre de Bornés
L’Echo de Ton Coup de Grace se sera éteint,
Tu nous y laisseras, avec ta Brulure sacrée.

Porcenses

Dans cet Esprit, dans cette Chair, vivre nous voulons
Ou tes Délices sont des Perles qu’on ne donne qu’aux Cochons.
Aujourd’hui, cette Bande t’honore,
Avec Ton Corps et Ta Graisse Tu nous inspireras,
Mais sache, oh Porc, ton Dimanche, il viendra.
Notre Royaume pour Tes Pensées,
Amen.

Joris Denoo

 

 

 

 

Advertenties

WEST-VLAANDEREN

WEST-VLAANDEREN                                              

(Vier gedichten ook verschenen in Nieuw Wereld Tijdschrift 1994-01)

1

Mijn westen. En wat daarbuiten ligt:
een zee, de ene wang van Nederland,
de kont van Frankrijk. De monokini
was hier ’t eerst, en de frigobox, hoezee.

In dorpen met gebroken dorpels
wordt zoveel klare wijn geschonken
dat iemand ogen op zijn gat krijgt:
hij ziet alles, iedereen, en bovenal zijn God.

Van Adinkerke tot Outrijve,
van Abele tot in Knokke-Zoute,
zit een opgeruimde middenstand
met tombola’s en zegeltjes te zwaaien.

En in Kortrijk woont een hofleverancier
van textiele jasjes en gedurfde dasjes
voor de kooplui uit het wijze oosten.
O mijn westen: iedereen doet er zijn best.

2

Godbewareme als het niet waar is.
Kijk maar naar de grote schrijvers:
Gezelle! Streuvels! Snoek! En Claus! Zeg mij:
welke lage streek heeft zoveel te vertellen!?

Zijn het niet de Duitsers en de Brusselaars
die onze stranden zo vervuilen!?
Ha, ze zouden lachen met ons dialect,
maar hier zelf hun maandverbanden

en hun dozen Nivea in onze Noordzee lozen!
Dat is nu precies de pest in dit westen:
de chichi komt hier de prijs dicteren
en wij zitten met hun etensresten.

3

Maar ja, ons nijvere zuiden zei
dat het Texas was, met een groot tekort
aan werkloosheid. Zelfs de koeienstaarten
schudden van de elektriciteit.

En aan onze kusten bouwden ze
zoveel Babels als er baden waren.
De tongval werd een stom gebabbel
over centen en gestruikel over krenten.

Geen wonder dus dat ze als de vliegen kwamen
op de vette vlaaien uit de verre Kupe.
En Varsenare knarsetandt.
En Brugge opent nog een winkelpand.

4

En Ensor doet zijn venster dicht.
En Permeke sluit zich op in Jabbeke.
En Streuvels loopt in Antwerpen
te koekeloeren naar de hoeren.

Want binnen handbereik en buiten westen
liggen de still’ en ware dingen
waar de echte dichters over zingen.
Hoe zouden die van ’t oosten zich anders troosten?

O mijn westen. Mijn ansicht met de boetezegel:
moederkoek uit ’t vaderland, het navelstrenge
kaarsenvet, de Groote Oorlog spookt hier
het langst, het ergst, en de dood, en angst.

Joris Denoo

TWEE DROMEN

TWEE DROMEN

MIRZA

Mijn hond woont in de winter:
een ijstijger met haren pakje aan.
Ik ben een trage trapper in de sneeuw.
Op mijn slede liggen spek en bonen.

Ginder kringelt rook uit een schouw.
Dat is vast een warme keet
waar ze straffe whisky schenken
in deze woestenij van sneeuw en bomen.

‘Het Hoge Noorden is best gezellig’
brom ik met een diepe kelderstem.
De barman knikt. Ik zet mijn muts af
en wrijf stevig in mijn ruige handen.

‘Hoe heet je hond ook weer?’ vraagt
een bloedmooi meisje bij de kachel.
Net als ik in haar ogen kijk
en ‘Mirza’ zeggen wil, word ik wakker.

O jee.
Wat een afknapper.


GALGENMAAL

Een kraai wiekt door de lucht.
De zon zakt bloedrood tussen wolken.
De avond valt. Ik tel de uren in mijn cel.
Mijn maag rommelt als een trommel; ik kokhals.

Dat geklop komt niet van een specht:
een gespierde timmerman bouwt
vlakbij een schavot voor mij. Een boze kok
slijpt een valmes de breedte van mijn hals.

Rodekool: mijn purperen doodvonnis.
Mijn leven rolt zich als een film
voor mijn ogen af: ijs en hamburgers,
kroket, ketchup en friet. Maar dit!

De doodstraf wacht. Ik ben dapper.
Straks komt de gevangenisaalmoezenier.
Ik ben niet te bekeren. Hij mag mijn rodekool.
Of de cipier. Vaarwel, vanuit mijn dodencel.

Maak mij nu echt maar weer wakker.
Het is genoeg geweest.

Joris Denoo

 

LIEFSTE

 

LIEFSTE

(Brief aan mijn oud meisje)

We hebben de datumgrens overschreden,
liefste,
wat zullen we doen met de dode tijd?

Hoeveel schrikkeljaren zijn we al samen,
liefste,
en vieren we dat met een dagje uit?

Wanneer was het ook weer dat je zei,
liefste,
ik zal je nooit ofte nimmer vergeten?

Waarom wek je me niet meer op tijd,
liefste,
ik word ouder en krijg het steeds kouder.

Wat dacht je van een staande klok,
liefste,
die het bonzen van ons hart bezweert?

Zullen de jaren rimpelloos toeslaan,
liefste,
of gaan we het leven te lijf?

Worden we wijzer met de jaren,
liefste,
of zijn het de wijzers die veinzen?

Kunnen wijzelf ons nog verwarmen,
liefste,
terwijl de aarde aan het koken gaat?

Dat alles wou ik je nog vragen,
liefste,
vlak voor mijn hart het begeeft.

Joris Denoo

LINKERHART

LINKERHART

Zo één te schrijven: als een handschoen
over vingervlugheid, maar traag, traag.
Zeker van de koude daarbuiten
en dat het hier warmer moet blijven.

Zo één te drukken: eerlijk en durend,
ook al sneeuwt het vraagtekens.
Eén voor alle tijden, waar geen maat
op staat, een eeuwige afdrager.

Zo één die past op de leest
van gemoed, gewogen tot op de gram
en net niet te dicht bevonden
door al wie regelmatig leest.

Geef me die hand, dat gedicht.
Het moet als een huid over huiver
schuiven en bevatten wat niemand
kan zeggen of schrijven.

Het moet beklijven.
Een hand op een linkerhart.

Joris Denoo

(Uit de bundel Linkerhart, Poëziecentrum Gent 2000, in manuscriptvorm bekroond met de Vijfjaarlijkse Guido Gezelleprijs 1999 van de stad Brugge.)

BALLADE VAN DE DODE MOEDER

BALLADE VAN DE DODE MOEDER

Ze is nu ongeneeslijk dood.
Ondanks de dingen die haar omringden.

Haar panorama op de straat
is niet langer meer bewasemd.
De kookpot op het koude vuur
wijst steels naar af.

In het tuinhuis heerst nog oude munteenheid.
Een spin vergist zich van seizoen.
Geen appelgeur waait aan; het is stof
dat schrikt door binnenvallend licht.
De dingen lijken er nu nog net even te willen zijn.

Ik, de ongestorvene,
zal daar wellicht nog wat aan moeten doen.
Ontfermend zal ik hun rouwregister tekenen.

Ze zijn immers niet meer van haar,
Allerdingenmoeder.

Zo, dat was het.
What can we do?
Dag ma. Moeder van me.

Joris Denoo

DE BOOM EN DE WIND

DE BOOM EN DE WIND

 

Zij hing in de Boom der Kennis te bungelen.
Een zucht van oostenwind streelde de stam,
maar niet de takken die haar kraak en net
gevangen hielden in hun röntgengreep.
Zij had opgehouden te bestaan.

De Boom stond er tegen Beter Weten in.
Hij wou die Mens helemaal niet schorsen.
Jaarringen, ja, maar geen strakke strik
om het vlees waar het lijf het dunst is
en de stamboom het bestaat op te houden.

Toen men ter plekke afstapte
(drie, vier beroepen uit de levende wereld)
en scherper toekeek, ook geholpen door instrumenten,
ontdekte men geen oorzaak.

Tot er eindelijk iemand naar omhoog keek:
de Boom had al zijn bladeren losgelaten.
Oostenwind, weet je wel.

Joris Denoo

VOORSPELLING

 

VOORSPELLING OP PANTOFFELS

Voorspelling op pantoffels:
een vaas heeft maar één vaste plaats.
De hare.

Zo moest Rimbaud verdwijnen
uit een leven dat het zijne
niet zou zijn geworden.

Foute bloem erger dan de vaas eromheen?

Voorwaar: binnenblijvend
ziet hij scherper toe
op zijn binnenblijven.

Hij leert ook zo goed vanbuiten!

Veel kan worden vermeden –
zodat niets blijft.

Zijn staatsveiligheid staat op scherp:
bewaker bewaakt bewakers.

Joris Denoo

3 – 2

3 – 2

In de laatste regel van de match
terwijl velen al afgehaakt hadden
werd de bal als een ei
in de kooi gedropt
met een magistraal gestrekte volley
vertrekkend op de linkerslof
van de ingevallene
& na maanden bankzitten,
koukleumen, opwarmen
en weer koukleumen
dit:

de gebalde tribune
de gesperde schreeuw
en bovenal
de blote vreugdebast
van hij die het orgelpunt maakte
en wapperend uit zichzelve en zijn zinnen
nu de dolste lussen rent
ontsnappend aan de klauwen
en de kleerscheuren van de anderen
die tot dan toe
de koek makjes verdeeld hadden
ondanks thuisvoordeel
en reeds persgewijs dachten:
2 – 2, jawel,
we hielden punten aan huis.
Ha ! De inval !

Wat kan de bal toch rond zijn
als het even wel of niet meezit.

Joris Denoo

ZANDMAN

ZANDMAN

Nu houd ik op met slapen.
In de straten lopen spoken
die in de ochtend kwijnen.
In de bars zitten schimmen
die bij dageraad vervagen.
Nu wil ik ook verdwijnen.
Ik wil even een van hen zijn,
met ze praten bij een sigaret
en af en toe wat bitters drinken.
Ik zal samen met ze waken:
tussen gatenplant, spoelwater
en greepjes licht verzinken
en aan al de rest verzaken.
Nooit wordt het nog later,
vertellen mij de spreuken,
en ook dat God mij ziet.
Dat wil ik best geloven,
maar morsen doe ik niet.
En dat de tijd hier halthoudt,
is de reden van mijn komst.
Het is mijn bed dat gaapt.
Het is mijn hoofd dat gonst.
Ik wil alle uren opgebruiken
van de zandloper in mij.
Mijn das staat op halfzes.
In mijn kop valt een flesje om.
Een vlinder zoekt het melkglas
en zit doodstil in het holst
van rook en grap en alcohol.
We moeten er eens uit zijn,
zegt een man van honderd kilogram.
Een meisje van een slanker lijn
lipt in mousserend Frans
dat de boog niet altijd nietwaar
zo gespannen hoeft te zijn.
Groot gelijk heeft zij, het kind.

Ik ga en vlag mijn nacht af
met een grote zak patat.
Waar brandt nog wat licht?
Waar schijnt nu de lamp?
Is dit reeds een nieuwe dag
of mag ik nog een laatste glas?
Het trottoir schuift als een roltrap
naar mijn huis bergop-bergaf.
Die wou waken, kwam terug.
Die ging dolen, is weer thuis.

Een molen vraagt om koren;
ik begin weer van tevoren.

Joris Denoo