EEUWELING

EEUWELING

Oude lijven moeten ooit eens sterven.
Zij kunnen het licht niet meer aan.
Of de lucht in hun röntgenlongen.
Er is gerimpel, gepiep en gekreun.
Wat nu gezongen na honderd jaar?

Ben je dan drenkeling, enkeling?
Omringd door dode vrienden,
gebroed, gebraad en erfgenamen?
Was je maar niet zo gezond gaan leven.
Nu staat zelfs je nageslacht hier te beven.

Wat willen ze eigenlijk van je?
Dat je doodvalt bij een mijlpaal?
Verklaart dat een glas of drie per dag
moet kunnen en best wel mag?
Geeuw: weer een eeuw.

De ziel wil graag ter ziele gaan.
Waar blijft die verdomde eeuwigheid?


JORIS DENOO

ROBINSON, WISHFUL SINKING

ROBINSON, WISHFUL SINKING

Zo’n eiland kan ik wel vinden:
ik hoef alleen nog een reis
uit mijn dromen weg te kappen
en omgespoeld zoals het boek het wil

daar in het zand te bijten, mijn schip gebroken.
Een barenswee. Eerst zo oorverdovend stil
dat ik bijna in een bulderende god geloof,
liever dan in overleven en een zwitsers mes.

Geschiedenis wordt aardrijkskunde.
Splinternieuws is eeuwen oud.
De polsslag van de tijd verzwakt,
de haven in mijn hoofd verzandt.

Mijn mens wordt schier een eiland:
de prijs voor een enkele reis.

Maar her en der vind ik hem weer uit,
twee voetafdrukken als bewijs:
drenkeling, enkeling.

Joris Denoo

(Dit gedicht kreeg een nominatie voor de Maerlant Poëzieprijs 2021 in Nederland)

DOOD VAN EEN SMOKKELAAR

DOOD VAN EEN SMOKKELAAR

Hij werd geroepen,
zette zijn glas neer,
ging naar buiten
en keerde nooit meer weer.

Het was eens iets anders
dan het laffe poken
van een smokkelaarsmes
ruggelings tussen de knoken.

Men gooide nog een blok
in de haard, spoelde
het glas om en deelde
zwijgend de kaart.

Man’s End in Jamaïca Inn.
De papegaai luidde de bel.
Heden ging van ons heen
een duistere metgezel.

Niemand had iets gezien.
De deur ging dicht
en de vloer bleef schoon,
die avond in Jamaïca Inn.

JORIS DENOO

CAFE

CAFE

Het sneeuwt over de middernachtmarkt
waar het ook broeierig warm kan zijn.
Zoals elke nacht wacht,
zo is de dagwereld weer uitgewoed.
In café Wel- en Ontevree
sprokkelen we de spaanderen
van wat broedt en van wat woedt.

Het Italië van de markt is uitgebloeid.
Zwarte rozen groeien nu hierbinnen
in voorlaatste glazen – er komen
verhalen ter sprake van ver weg.
Met voorbedachten rade verwijzen we
naar vroeger. Maar nu is hier:
een eiland met een marsbevel schier.

We drijven een wig in het gebinte
van een dag; we blazen revolutionair een glas
met een zeppelin in. Een laatste golfslag
kalft de rand van alledag af.
Geef ons wat reukwater, laat dit
een beetje Berlijn, een vleugje Parijs zijn,
en diepzee, en hoogzomer, en vroeger dan later.

JORIS DENOO

BINNENSCHEEPVAART

BINNENSCHEEPVAART

Op de Bokma is het aardig varen
met het witte sjaaltje van de duivel om.
Zelfs de mitsen en de maren
vallen met een plonsje uit de boot.

Stapel stenen aan de achterkant
van wat we zieltje noemen.
Bouw een muurtje rond de blues.
Laat het dan maar van zijn stapel lopen:

zij het dol, zij het bol,
zij het vierkant in het rond.
De kapitein blijft oerbewust en kerngezond.
Hij is een kaper op zijn eigen kust.

Een vluchteling met eigen boot.
Om hem dan heel ver van hier te trekken,
zijn wel honderd droeve Russen nodig.
Hij sterft met elk van ze een kleine dood.

JORIS DENOO

ONRIJM

ONRIJM

onbezonnen schenenvuur vlammenwerper
augusthuis van summer sudder eierdooier
dobberend in apegapend grieksblauw zwerk
druiventrossen bloeden purper als gekwetter
ze bestookt met scherp rotting in de vijvers
overdaad en stroop blader verder na de blaren
en de blossen oker pokert met de schraaltezon
pâté feuilletée reutemeteut gekruld te gronde
de heksen van de herfst verschrapen bezems
blubber binnenkort en kraaknette kaaltekruinen
röntgenfoto’s staven donkerte der dagen
kil gebinte koud gebeente nerven stervend
het plooit het vouwt het krult het kreukt het krimpt
vreselijke vries met pet en pret aders van ijs
verblauwd als wintermelk spiksplinter schilferfeest
knisper en vanillevreugde weer zoet verstreken
pleidooi weldra voor bot en knop en sap
de daver in de dagklapper wordt palaver
ontwinterd duikt gevederte een luftwaffe
appartemensen vuren wederzijdse bloemen af
kadaver begraven magnolia mimosa en dan
daar weer de speren van de zonnewagen

JORIS DENOO

THE DUTY AND THE BEAST

THE DUTY AND THE BEAST

De nacht is blauw als wintermelk.
Van een lichtend donker is hij.
Het gedicht glimt als een greepje schemer.
Kou gloeit op; warmte rilt als vanouds.
Laat alles met rust. Kom er niet aan.
Het bewijs van falende geneeskunst
is het geblikker van het scalpel.
Het is mijn verdomde plicht
koorts te hebben en een gedicht
ondood weer te doen leven.
Mijn hond woont in de winter
en houdt de wacht bij de nacht.
Als ik blauw doe rijmen met jou,
dan huilt hij als een hyena.
Maar als ik als dokter bewijs
dat hij ongerijmd niets hoeft te vrezen,
dan verklaar ik plechtig bij dezen
dat wij beiden zijn genezen.

JORIS DENOO

EEN KOEK VAN PROUST

EEN KOEK VAN PROUST

Zo’n zondag – de uren na de noen,
het kan winter zijn, lente of iets anders.
Een radio – het moet een radio zijn –
staat aan en zorgt klassiek en zacht
voor het perfecte achtergrondbehang
van zo’n zondag op de uren na de noen.

Je hoort het nauwelijks maar het is er wel.
Een stem, een strijkje, iets met hoge noten
uit een ver verleden lijkt het even maar,
waardoor je op zo’n ellenlange zondag
door de uren na de middag wordt geloodst
met herinnering en zielenzalf.

Maar ben je daar wel zeker van? Nee:
het zorgt niet voor de rust van het herkennen,
maar het raakt beslist een snaar van weleer.
Er was iets, onzeker weten, zo lang geleden,
of was het niets: een wafel, de rook van een sigaar,
iets ouds wat nu weer jong wordt na de noen.

Het kan ook een onbesuisde windvlaag zijn,
ongecomponeerd gefluit langs een omheining,
die ene schrille uithaal van een krekelstem,
het geknisper van lichtblauw pakpapier
of een zeker weten déjà vu vergeten
van een vouw in de verleden tijd.

Daar dient zo’n zondag voor, zeg je dan.
Maar het blijft hangen, als gefilterd licht
in takken. Je weet het niet en wel
dat het weer daar kan zijn omdat het
altijd is geweest en nooit meer niet kan zijn.
Misschien zijn we voor zoiets veel te klein.

Joris Denoo

HOND

HOND

Volle stilte staat op hoge poten
zeer sterk bij geen mens te wachten.
Te bolle woorden uit vierkante verte
worden op herfstgeblaf onthaald.

Hij staat het dichtst bij hen,
maar heeft hen veel ontnomen.
Hij heeft van hen zijn les geleerd,
maar zij zijn bij de neus genomen.

Het is zonder meer een sfinx:
hij kijkt niet om, niet rechts, niet links.
Hij heeft de mensheid trouw beloofd,
maar gaat er niet bij liggen.

Ook niet als zij hem zolang in de ogen kijken
totdat zij op hem gaan lijken.
Want die hond heeft maar één meester,
dat beest gehoorzaamt slechts één hand.

Zo doen de kleine oren ook geloven
dat hij iets heeft opgevangen.
Het is niet waar; het zijn twee spitse listen:
ze willen enkel maar verdoven.

Want hij luistert met zijn hele lijf
in een landschap vol met doven.
Het is een hond die weet: ik sta
op grond, bereid, frontaal, gereed.

JORIS DENOO



JAMES ENSOR REIST NAAR HET LIJSTERNEST

JAMES ENSOR REIST NAAR HET LIJSTERNEST

De wang van een land waar een kleine zee
de scheerplicht op uitoefent.
Slaan en strelen,
een acrostichon uitsmeren
over korte kilometers badplaatsen.
Lees van oost naar west
en van west naar oost;
het raden naar de rest.

Oostende bloeit en bloedt
en bloost. James Ensor, schilder,
reist naar Het Lijsternest.

De Moordzee achter de rug.
Resten van vroeger in dit verre westen.
Hij moet deuren van dorpen openduwen.
Hij moet de tongval van dorpers vertalen.
Er zijn jongens die van hardrock houden.
En meisjes van de kantkloskunst.

Al wie hier schreef die bleef beroemd,
maar buiten beeld. ‘Er zijn geen onderwerpen,’
mompelt Ensor, ‘er is alleen het licht.’
Klapt hij daarom te Oostende dat spiedluik open?
Is het te donker op het vasteland?
Liever halve stad en waterkant?

Nu reist hij verder: de penselen opgeborgen.
Die aap van een Lateur, schrijver,
zal wel weer ‘niet thuis’ geven.
Een bakker die wakker werd
uit zijn voorgeknipte sjabloon.

Intocht van Ensor in IJvegem!

Verder niks te melden,
alles doodgewoon provinciaal.

O! De lijster staat verstolen achter ’t raam.
Gevarendriehoek in de top
van het huis als een schip.
Stokheer, geus en katholiek.
Vinkenier bijwijlen.

James nadert in een langzaam voertuig.
Klopt dan aan, maakt zijn opwachting:
de lijster is gevlogen.

O! Hij vloekt in alle kleuren.
Hij zet een masker op dat alles zegt.
Zo, weer niet thuis, Lateur!?
Achterdeur! Hij klopt nu als een specht.

‘LATEUR! Doe open die deur!
Ik weet dat je er bent!
Ik breng je vorm, jij bent de vent!’

Waarop…

‘ENSOR! Aangeklede krent!
Onderaardse regenworm
die mijn geschriften niet eens kent!’

Dat doet de deur dicht.

‘Geen onderwerpen,’ zegt Ensor peinzend.
‘Er is alleen het licht.’

Hij gaat dan terug naar de kust,
verder peinzend over schrijvers
die afwezigheid veinzen.

JORIS DENOO