PAPIEREN VLIEGERTJES

PAPIEREN VLIEGERTJES

1

Kerselona, Appelonia,
zuidenwinden, oostenvruchten,
hoeve, have daar gelaten.
Ook de navel
is als laatste bergplaats
nu gehavend.

Keerkringen, zuurtegraden,
zwaartekrachten:
men schuilt, men schut, men stut.
Geen dak zo zwak
of er wordt beschut.

Er staan hekkens
om het huis dat we voor u hebben.
Maar bovenal passeert geluidsnormaal
om de zoveel tijd een vliegtuig
in een baan om uw hoofd.

U kunt in afwachting
papieren vliegertjes vouwen.
While we remember nine/eleven.

2

Knesselare, Appelterre,
het luchtruim beneemt u de adem.
We are Belgium,
te klein voor een weerbericht,
maar weliswaar beschikkend
over tricolore schutkleuren.

We hebben bieren, chocolade
en ten minste twee talen.
We are B-Fast
als we zelf vertrekken kunnen
in het aanschijn van de camera’s.

En waar we ook zo goed in zijn:
we shall remember
dode paarden, gifgroene wolken,
veelvouden van soldaten
en eigen volk dat vlucht
van Vlaamse velden weg.

Ja: wij hebben de juiste papieren
om nooit meer te vergeten.
You shall remember.

Joris Denoo

Advertenties

BRING IN THE KLOONS

Bring in the kloons  

Joris Denoo is dood.
Het is niet te geloven:
Joris Denoo is dood.
Op zijn steen staat te lezen:
Zo, dat was het.
Lees maar. Er staat wat er staat.
Hij is echt van ons heengegaan.
Hier is dus een gedicht op zijn plaats.
Dicht is dicht, of wat dacht je?
Joris Denoo is dood.
Het is niet te geloven:
Joris Denoo is dood.
Hoe zullen we hem memoreren?
Alleszins in paasbeste kleren.
Tranen hoeven niet: hij is van ons
heengegaan als een indiaan.
Tevens was hij Grieks-orthodox,
purperen heiden en ei-zo-na heilig.
Hij hield van het lispelen van wind
in gebladerte van Russische bomen.
Ook Alaska droeg zijn voorkeur weg.
Eerlijkheid gebiedt ons te bekennen
dat Joris Denoo in een zeppelin woonde,
statenloos als hij altijd wilde zijn.
Hij passeerde constant alle staten,
leerde negen talen, zweeg in vier ervan,
maar koos uiteindelijk voor zijn eigen
State of Mind (hoofdstad: hart, weliswaar
gekooid in ribben, ook bloeddoorlopen):
not here, not there, but over there:
beyond the stars & stripes & milky way.
Anyway, Joris Denoo is dood.
Echt waar. Een Startrekker van formaat.
‘To boldly go where no man has gone before.’
Hij kende anagrammen, palindromen,
maar ook aan doodgewone dromen
wist hij niet altijd te ontkomen.
Een laatste droom, inktzwart van kleur,
heeft hij niet weten te beleven,
toen iemand (m/v) hem zei: ‘Baas,
neem een racecar, neem een Saab’.
Jammer voor Joris. O ja, nog iets:
hij haatte alliteraties.
En ook rijmen vond hij slijmen.
Dat sterven van Joris Denoo,
dat laat ons niet onberoerd.
We moeten er iets aan wijden:
grammatica, poëzie, een fles.
(Een single malt als het meevalt).
Want het is er eindelijk van gekomen.
Nou, van de dode niks dan goeds.
De kerel schreef, dat is geweten.
Een kort, maar beklijvend citaat
uit zijn werk: ‘We never sleep’.
Waar haalde hij dat vandaan?
Hij sliep verdomme zeer zelden,
inderdaad. Nu wel. Zeer zeker.
Leefde hij er op los? Men zegt zoveel.
‘Que sçay-je?’ zou hij zelf zeggen.
Wij weten het: hij leefde los-vast.
Zijn karige slapen was hooikoortsig.
Zijn kijken voltrok zich kleurenblind.
Zijn leven was hevig, stevig,
maar ergens wel ingetogen.
Zoveel deed zich aan hem voor.
Je moet het maar doen,
verdomme: zo zou hij het
ook hebben gezegd. Echt.
Eens op de planken, nu ertussen.
Het is niet te geloven,
maar Joris Denoo is dood.
Morsdood. Sleeps with the fishes.
Wat valt er nog te vertellen,
nu we hier allen samen zijn?
Soms werpt een lijstje licht op de zaak:
look, rook, verkeerde lieveheren,
whisky, kurken, boeken, passie,
storm, regen, oesters, het edele schaakspel,
vrouwen als vraagtekens, de Noordpool.
Valt hij te klonen, die Joris Denoo?
Niet met een dergelijk lijstje.
Waar is zijn eerste knuppelbeer heen gevaren?
Hield hij al vroeg van spelen met woorden?
Werd hij geboren met zijn hoofd van voren
of maakte hij zich vlug uit de voeten?
Heeft hij kar en paard gekend,
en dronken postbodes op Nieuwjaardagen?
Wie zal het zeggen,
wie zal het zwijgen?
We blijven alsnog in diepe rouw gedompeld.
Want Joris Denoo valt niet te klonen.
O, voor we het vergeten:
we moeten nog een knop indrukken.
Het was zijn laatste wens.
Hij heeft zelf op twee gedachten gehinkt:
‘Wat zal ik ze bij mijn verscheiden laten horen:
orthodoxe kerstkoren of iets van Iggy Pop?’
(We kennen inmiddels zijn aversie voor rijmen).
En hier lezen we, in inktzwarte inkt:
‘Leg maar Iggy Pop op,
de man is ook half verminkt’.
Ach, Joris Denoo, sta ons deze oneliner toe:
orthodox, paradox, de X van X-file
of grote onbekende: Lust for Life.
Oké: dat anagram is je laatste streek,
tevens alliteratie van bepaald allooi.
En nu we hier dansen op je graf
maken we het karwei helemaal af.
We dachten zo, tussendoor:
als jij vertrekt naar het rijk van de doden
hopen we op je rouwbericht geen tekst
aan te treffen van Anton Van Wilderode.
Dat is al zo vaak gedaan.
We zijn blij dat je zelf wat hebt geschreven,
bij volle verstand en nog blakend van leven.
We lezen bij dezen voor alle erfgenamen:
‘Nu ik lig in een kist
voor altijd vermist
wil ik jullie laten weten
wat ik altijd al wist:
ik had te hartelijk lief.
Vandaar deze brief.
Ik wil mijn kinderen
niet langer hinderen
door overtollige ouderdom.
En ergens in een vouw
in de rok van het sterrendom
wacht ik als kruimeldief
op mijn alles begrijpende vrouw,
want haar heb ik hartelijker lief’.
Voorwaar: Elsschot, Nahon,
Gezelle of Van Wilderode
hadden van jou kunnen leren
hoe ze woorden onder elkaar
konden parkeren en achterklap
propageren tot rijmen die rijmen.
Je bent een kraan, Joris Denoo.
Bij dezen weze je naam geprezen.
Hij zweemt om de lippen
van elkeen die stopt met roken.
Je gaf de pijp aan Maarten,
maar die weet niet goed wat te doen.
En, à propos: dat kort geding
dat je God de Vader wou aanspannen,
komt dat in kruiken en kannen?
Heb je dat al achter de boeg,
of was je weer een dag te vroeg?
Joris Denoo is dood.
Het is niet te geloven:
Joris Denoo is dood.
Volgend jaar komen we hier weer.
Wedden dat er dan op zijn steen
staat te lezen:
Ik ben verrezen!

GEDICHTLOOSHEID

GEDICHTLOOSHEID

Pleidooi tegen poëzie

Niets is wat het lijkt. Alles is anders.
Dichters proberen dat niet te beschrijven.
(Het is misschien ook onbeschrijfelijk).
Anders beschrijven ze het. En besterven ze het.
Daar zijn ze als de dood voor, de zg. goede dichters.
Liever zwijgen ze angstvallig op karige witte bladen.
Op de Schaal van Dichter
hebben ze dan een streepje voor door niets te doen.
Ze worden bekend omdat ze zwijgen.
En dat is goed.
Met gedichtloosheid moet je leren omgaan.
Wat moet je anders met al die onzin?
Dat gedoe tussen de regels?
Die zinsverduistering?
Laat die blaren maar braak liggen.
Hou dat witte blad maar voor je mond.
En als je leest, trek dan je stoute schoenen aan,
loop weg voor metrum, rijm en metafoor,
en ga voor rechte regels en volle zinnen.
Want niets is wat het lijkt. En alles is anders.

Joris Denoo

 

ROOMS COMMUNISME

rooms communisme

schreeuwende spreeuwen in bomen van rome
en mensen en toeters jagen die weg
kolkende zwermen van vogels die komen
en gaan in de luchten van rome
draaiend en zwierend en zwaaiend
één in beweging met velen en velen
geen kink of geen knoop doet zich voor
in dit weergaloos zwermen van vogels in koor
diep in oktober in rome en hoor
hoe ze schreeuwen en ruisen en scheren
en wie is de hoofdvogel wie stuurt de zwerm
en wie is de paus van die pluimen en veren
of is dit een staaltje van puur communisme
in dit doorluchtige heilige rome?

Joris Denoo

ZWAARTEKRACHT

Zwaartekracht

 

De stad slaapt. Alles is rustig.
Een rat met zachte vacht vlucht
voor het schijnsel van de nachtwacht.
In alkoven snurken burgers.
Langzaam draait de aarde rond:
blauwe bol, open riool, vergaarbak
van gerochel, kanker en vulkanen.

Vrede op het plein. Niets beweegt.
Een oude straathond spert zijn muil
en jankt zijn blues tot op het bot.
Een man verdrinkt in kwijl en kommer.
De maan beveelt de zee, de vrouwen.
In hun dromen zit hun mond vol slijk
en drijven lijkjes op de golven.

Zwaartekracht balt onrust samen.
Het gebinte op de appelzolder kraakt.
De splijtstof in de navel sluimert.
Angst groeit aan weerskanten
van het tussenschot dat leven heet.
De kleine Newton blaast een speekselbel
en draait zich op zijn andere zij.

Joris Denoo

(Uit Zwaartekracht, thematische bundel over epilepsie, uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2017)

 

LUTETIA (CIVITAS PARISIORUM)

LUTETIA (CIVITAS PARISIORUM)

De koele vriendelijkheid van de ober, kan ik mee om.
De duif die dwars door mijn hart scheert, kan ik mee om.
Een langzame dood door gebrek aan slaap, kan ik mee om.
Een immobiel bestaan bumper na bumper, kan ik mee om.
Een overdosis aan ingehouden theatraliteit, kan ik mee om.
Gewurm en gezweet onder de grond, kan ik mee om.
Het zoveelste gebedel om aandacht en brood, kan ik mee om.
Toeters en bellen in flarden van mist, kan ik mee om.
Doden met namen als klokken, kan ik mee om.
Ontbreken van stilte terwijl niemand iets zegt, kan ik mee om.
Haastparels hoesthoeken hangstaarders, kan ik mee om.
Geheel te onthouden dampen en wasems, kan ik mee om.
Duivelse spuwers en heilige hoeren, kan ik mee om.
Huiverkerken zweetspektakels gevangenisromans, kan ik mee om.
Smeekbedes om diepte in gulden snedes, kan ik mee om.
Portes de çi et marchés au ça, kan ik mee om.
Pruisen en Zwitsers en Kelten en Goten, kan ik mee om.
Het dreunen van drilboren op zondagen, kan ik mee om.
De duikvlucht van grasgroene flessen, kan ik mee om.

Als het maar Parijs is.

Joris Denoo

HET BAL DER OPGEKNOOPTEN

HET BAL DER OPGEKNOOPTEN                      

De kalender van ellende verklapte andermaal:
het jaarlijks ledenbal der opgeknoopten
was alweer daar. Ze verschenen allemaal
van merg tot pijp doorrookt en uitgekookt.

Zak en as en vrouw zeulden ze met zich mee,
in stipte kleuren, nipte maten en formaten.
Hun plooien, vouwen strik en strak gedwee
brachten ze van acht tot twee in alle staten.

‘Wat gaan de jaren rap, de dagen korten weer,
het scheelt een vest, we doen ons best,
we bellen wel een keer, het zijn geen zomers meer,
mij zegt dat niets, wat eten we met kerst?’

Karel Passer en Marie-Joseph Vanongenae
knikten om de haverklap. Zo deden ook
de beide heren Sap en hun wijfjes stijfjes na.
Geen vinnig mens raakte hierdoor van de kook. 

Meneer Vanhees verzonk ten zeerste in de decolletés.
Blauwe ogen, diepzeegedachten gingen onderzees,
blikken werden torpedo’s. Mevrouw Vanhees
werd op al die blote V’s stilaan grondig boos.

Goed volk, small talk, wie was hier nu nog niet?
Toen kwam, nog ingepakt na datum van verval,
de oude apotheker Wackenier in het verschiet.
Die haalden ze als stichtend lid elk jaar van stal.

Men week een schree uit eerbied voor de tovenaar
(die door geen vrouw gehinderd glaswaarts toog)
en knikte voor de vele jaren pillen, poeders dankbaar.
Een man van medicijnen liet je nooit lang droog.

‘Geachte leden, ik heb de eer en het genoegen.’
Halverwege klokke negen werd het woord weer vlees.
‘Ik dank hierbij allen die hun steentje bijdroegen
aan wat zonder hen niet mogelijk was geweest.’

Passer, Sap, Vanhees en Verroken knikten hevig.
Een zee van blanke V’s deinde zachtjes op-en-neer.
Het applaus daarna was welgemeend en stevig.
De voorzitter deed het nog maar eens een keer.

Verse glazen, koude schotels deden hun entree.
De ingewanden werden allereerst verwend.
De olie voor gekeuvel was appellation contrôlée,
iedereen werd van de weeromstuit eloquent.

Agnes Verroken gluurde naar haar opgeknoopte
en kapte dan pijlsnel glas twee haar keelkrocht in.
Meneer Verroken, die op een mooie avond hoopte,
bevond zich toen midden in een uitgesproken zin.

Pillendraaier Wackenier, knar van botten, kras van hart,
zeilde met bijsluiterblikken al de echtgenotes af.
Na de finale crème brûlée werd immers ras al opgestart
met wals en balts en tango in gestrekte draf.

Zalm en heilbot gingen vlot huns weegs,
wijl spek en bonen minder monden vonden.
‘Vis poes!’ grapte een van de Versteegs;
zijn tafeldame vergaf hem deze kuise zonde.

De vrouwtjes van de beide heren Sap
gingen ijverig hun ijsbergsla te lijf.
Hun huid en haartjes grauw en krap
stonden nu van welbevinden stijf.

De spits der broeders tapte toen een mop
die schuin en aangebrand de ronde deed.
Voedsel stokte stikkend in de krop;
het leek alsof men aan beroertes leed.

Marie-Joseph Van Ongenae deed aan de lijn.
Ze schikte zuinigjes haar smaakpalet,
maalde af en toe wat brokjes en radijsjes fijn
en pikte als een vogel op dieet gezet.

Daar had Karel Passer minder moeite mee.
Hij stouwde heelder borden prak in zijn benedenruim
en kapseisde hierbij gezwind een fles of twee.
Onder omnivoren was hij echt de crème van het kruim.

Nu de maag gevuld, de keel gelaafd was,
mocht het aan beweging niet ontbreken.
Strikken minder strak, beetje los die das.
Ook de gezichten waren minder uitgestreken.

Toch duurde het voorwaar een hele poos
voor het ledenbal een aanvang nam
en iemand eindelijk een partner koos.
Het was Vanhees die ’t eerst in opstand kwam.

Hij vergat hierbij helaas zijn wettelijke vrouw
en stapte stralend op Agnes Verroken toe.
Op het slagveld van de liefde en de trouw
was deze daad een regelrechte coup.

Stellen, koppels, gingen nu ook opveren,
maar door die zenuwpees van een Vanhees
zou men weldra bandeloos changeren.
Het bal der leden werd een vleselijke race.

Stijve harken plooiden onrustbarend.
Vege lijven kozen voor een rampenplan.
Harten klepten, longen piepten parend
in deze vleselijke kuip van Jan en alleman.

Schatbewaarder Six ging door de knieën
voor de prima ballerina Betty Audenaert.
Het leek après wel op een staaltje skiën
op twee brokkenlatten in vertraagde vaart.

De vrouw van voorzitter Andries Durnez
werd door het allerjongste lid gegrepen.
Gedeeltelijk ontknoopt dansten de twee
bevlekt met beekjes zweet als oorlogsstrepen.

Zwieren kneden tasten keren zwaaien
Zweten schuiven duwen klappen trekken
Wiegen springen huppen grijpen draaien
Zweven buigen spreiden stappen strekken

Het jaarlijks ledenbal der opgeknoopten
naderde met rasse schreden zijn ontknoping.
Succes en opkomst waren onverhoopt;
zo’n bal der leden smeekte om herhaling.

Verborgen in een hoek zat Pietje Beenderman.
De leden hadden hem niet meegerekend.
Hij keek toe en koos met zorg iemand
waarvan hij straks het hart in twee zou breken.

Toen stond hij schielijk op en wees
met kromme vinger wis en zeer beslist
naar de onfortuinlijke meneer Vanhees.
Die voelde in zijn borst meteen een flits.

Ontdaan en bleek week men uiteen
toen het slachtoffer te gronde zeeg.
Gekrijs, gegil, geklaag bij iedereen.
Alleen mevrouw Vanhees bleef achterwege.

Ze gunde Beenderman uit heel haar hart
ziel en lijf en leden van die eertijds was
haar bedgenoot, ridder voor driekwart,
rokkenjager, lanterfant, thans karkas met das.

Apotheker Wackenier knielde krakend neer,
maar vermocht geen leven meer te blazen
door de lege luchtpijp van de dode heer.
De ouwe knar zwol zelf als blauwe kaas.

In het halfduister van de zaal gezeten
verkneukelde zich Beenderman ten zeerste.
Hij had altijd al geweten dat de meeste
opgeknoopten eigenlijk zichzelf doodzweetten.

Allen die de dans ontsprongen waren,
keken nu ontzet naar hij daar in de hoek.
Die zei bedaard: ‘U hebt toch geen bezwaren
dat ik nieuwe leden werf voor het dodenboek?

Het is mijn taak te selecteren en te decimeren.
Anders is het overal een drukte vanjewelste.
Ik weet: het zit u geenszins in uw koude kleren,
maar het was met liefde dat ik hem omhelsde.

Is er anders nog een kandidaat vanavond?
De meesten onder u lijken toch al opgeknoopt.
Hebben jullie dan geen moeite met je adem?
Ik had wel nog op een tweede vege lijf gehoopt.’

Dat hoefde echt geen tweede keer gezegd.
Karel Passer en Marie-Joseph Vanongenae
vluchtten hals over de kop de zaal uit, regelrecht
gevolgd door de beide heren Sap hierna.

Hun beide wijfjes stemden gillend met ze in.
Met zijn oude knoken haalde apotheker Wackenier
ijlings nog Gerardus en Agnes Verroken in
en liep hierbij mevrouw Vanhees van de sokken schier.

De Versteegs gingen vliegensvlug huns weegs.
Schatbewaarder Six snelde zonder centen heen
en Betty Audenaert ijlde lijkbleek als een feeks
naar verre oorden tot ze helemaal verdween.

De vrouw van voorzitter Andries Durnez,
werd, dodelijk verschrikt, door het jongste lid
in de vaart der vluchtenden weer opgepikt.
Alleen meneer Vanhees deed niet meer mee.

Moederziel alleen lag hij daar rustig ingeslapen,
verstard in zijn bestaan, ontdaan van alle leven.
Zijn hemd was in een lijkwade herschapen;
zijn das hing losjes halverwege zeven.

De kalender van ellende verklapte andermaal:
Pietje Beenderman had weer eens toegeslagen.
Dat gebeurde onverwacht en zonder veel omhaal
tijdens een der onverdachte feestelijke dagen.

Zo verkrijgen gaandeweg, voorwaar, de leden
van eender welke club op deze Moeder Aarde,
het onvoorwaardelijk statuut van overleden:
bitter jong, alreeds wat oud of hoogbejaarde.

Pietje Beenderman is als de zandman:
hij sluipt, gestrekte vinger op de lippen,
rond en kan zo hij dat wil de waakvlam
van je leven met een korte zucht uitknippen.

Joris Denoo

 

ROESELARE BLUES

 

ROESELARE BLUES

 

Vliegt de Blauwvoet. Storm in ’t hoofd.
Zwalpende matrassen op zee van zuchten.
Wiegende meiden aan voeteneinden.

Sluipt de blootvoet. Schimmel tussen tenen.
Door pare en onpare jongensdromen.
Geritsel achter klamme gordijnen.

Peeping Tom. Sandalen: linkerhand.
Klaas zo vaak. Zak vol heilig zand.
In de ogen van de nachtwacht: staar.
Jongens, hou je eigen kaarsje klaar.

Want het is koud in dit Siberië.
Het hart gekooid in ribben.
Roestend in dit Roeselare.
Het hoofd bezet door dromen
die het alle op wil sparen.

Eilacie!
Zo jong te sterven in dit internaat
op schootsafstand van Arme Klaren.
En van internet nog lang geen sprake.

Joris Denoo

ZWEETDOEK

ZWEETDOEK

TRIPTIEK VAN EEN VLAAMSE PRIMITIEF

 

De navel van de fiets

Staande voor dit werk met verve
– zij het de beweging van het maaien,
zij het de vliedende kracht
van een velodroom –
denk ik aan zesdaagsen,
aan een reis of aan een zeis.

Wat spaak loopt
vermaalt de zon tot splinters.

Oneindig maal tweemaal nul
is gelijk aan helemaal niets.
Maak dat de fiets diets.

Schilderen:
de chasse patate naar roem.

Beide.
Nietwaar,
Rogier van der Weyden?


De curve van de bal

Een hoek die stilhoudt in een veld.
Finishfoto van gestold gebrul,
met achterlating van klank en kleuren.
De parabool van een hoekschop
die weer inswingend
de toegestane ruimte botviert
vanuit dat stateloze vlaggenstokje.

Schilder de bal voor doel.

En dan alles op het canvas
weer duwend trekkend
in beweging brengt.

En zweet,
deze dwingeland op doek.

Koortskrom.
Nietwaar,
Preud’homme?


De spreidstand van de netnimf

Daar breekt alweer een acetijd aan
voor de tegenstander.
Over zoveel mazen van het net.
In de hitte van Down Under
of de regen van Garros.

Daar heb je niet van terug.

Doe niet aan balbezit maar kneed hem
tot hij vogel kogel wordt.
Mik naar Kim, wederzijds,
met je beste backhand.

Maar de vrouw aan de overkant
vangt hem in haar spreidstand.
Een meesterwerk.

Grand slim.
Nietwaar,
Kim?

Joris Denoo

 

MANNEN, TIBET

MANNEN, TIBET

Mannen klimmen op bergen
en vrouwen. Dalend zijn ze
verslagen. Veroveren doen ze:
iets waar ze op kunnen, of in.

Geef ze de leegte en ze maken die
vol met verse leegte: kanon,
penis, booreiland, politiek.
Er schort niets aan berg en vrouw.

Mannen: momenten om op te schorten,
mammoets die aldoor sterven,
monumenten in verzekerde bewaring,
vergissing van god, ook al een niet-vrouw.

Na ampele expertise treft men
een hart aan, dat pompstation
dat vet & alcohol & nicotine
probeert te vertalen in begrip.

Het blijft helaas bij hijgen.
Na beven en geven komt krijgen.
Mannen zijn krijgers, zwaaiend
met wapens bij vuren en vrouwen.

Tussen de lakens worden ze vloeibaar.
Een vulkaan kunnen ze niet aan.
Subtropisch, arctisch, pieken, dalen:
mannen kunnen zelfs Tibet niet aan.

Joris Denoo